Dat was het
God,
Daar op die plek,
Op zondagochtend,
Geen kerk en tegelijk in alles
Uw kerk
Geen viering en tegelijk in alles
Een vieren
Geen stoelen en tegelijk
Vol aanwezigen
Geen gezangen
En tegelijk vol van gedachten, gebeden en klanken
Die woordeloos klonken

Een zee, eindeloos uitgespreid
Een houten cirkel, zo gelegd,
Als uitnodiging,
Erop, erin en errond te zwemmen
Te kijken, te turen, te mijmeren, te zijn
De lucht die de einder raakt
De zon die op het water fonkelt
De horizon die vervaagt
En één wordt met het water
En diegene die kijkt

De vogel die de krab vangt
De krab die de mossel vangt
De mossel aan een steen geklemd
Het water dat ertegen aan danst
Het zand dat de voeten kriebelt
De meeuw die hipt en zweeft
De wandelaar, de kijker, de zoeker, de vinder,
Het kind

Wat is het heerlijk om zo eindeloos thuis te komen
Bij U

Amen