Poëzie

In deze tijden horen we vaak een bepaald jargon. Het gaat over curves die plat geslagen worden, over allemaal samen ertegenaan,… Paulien Cornelisse schreef in haar column in de Volkskrant van 30 oktober 2020, hoe in Nederland in deze coronatijd een mix van oorlogstaal en managementstaal wordt gehanteerd. Maar misschien kan het ook anders? Is er een ander discours mogelijk? Kiezen we andere woorden? Paulien Cornelisse eindigt haar column met de geweldige woorden: “Maar als we er nou met z’n allen de schouders onderzetten, dan kunnen we als team een gedicht zoeken waardoor we inzien van, hé, zo kunnen we die pandemie ook aanvliegen.” 

De kracht van een ander soort taal, andere woorden, van de speelruimte tussen de woorden, van minder hard, van schoonheid, van mildheid, van andere perspectieven… Die kracht werd ons een stukje ‘geopenbaard’ door de lichtende woorden van Amanda Gorman met haar gedicht ‘the Hill we climb’ bij de inauguratie van Joe Biden.

Of hoe we, tijdens dat gedicht, pas echt beseften welke schade een heel andere taal had aangericht. Hoe, terwijl ze voorlas, woorden als vanzelf vloeiden naar ons toe. Dat gewoon al woorden, projectielen konden zijn om verdeeldheid te zaaien, of een balsem, een licht  dat ons verbindt. Hoe die woorden alleen al een licht in ons ontstaken, niet alleen om er naar te kijken (of te merken dat het er nog is), maar ook om erdoor veranderd te worden, met de uitnodiging zelf licht te zijn. Hoe er eenheid voelbaar was, niet door te zeggen : als we er met z’n allen de schouders onder zetten, dan slaan we het virus, of de vorige president of wat dan ook ‘plat’. Maar door andere woorden, vertrouwde woorden die we ons weer herinneren, nieuw-geworden en nieuw-makende woorden. 

 

Als woorden zo’n kracht kunnen hebben, de wereld er zo anders kunnen laten uitzien… Welke woorden kiezen wij dan, om de wereld, om onszelf, om anderen mee te beschrijven? Van welke woorden blijven we weg? Tot welke termen ‘verlagen’ we ons niet? En welke woorden zijn misschien nog géén deel van ons discours, maar kunnen voorop gaan… en ons diezelfde wereld anders doen zien? 

Woorden brengen ook rimpelbewegingen tot stand. Veel gehoorde woorden en zinnen worden herhaald. Ze hebben kracht. Maar ze hebben ook macht. De “blijf in uw kot”, van Maggie De block, bleek een blijvertje. Dat omschreef duidelijk wat we moesten doen. Maar “ze hebben de verkiezingen gestolen”, van de voormalige Amerikaanse president, bleek ook een blijvertje… met serieuze gevolgen. Het zijn niet ‘maar woorden’… Ook op kleine schaal zie je dat. De woorden waar kinderen mee thuiskomen… die ze horen van vriendjes. Maar ook van hun ouders. De één spreekt over ‘hilarisch’, net als de mama. De ander over ‘schattekes’ tegen haar vriendjes. Dat heeft ze wellicht ook horen zeggen. En dan zijn er ook de minder mooie woorden, maar die laat ik hier liever niet klinken. 

We kunnen kiezen welke woorden wel, en welke niet. We kunnen pijnlijke woorden naar achteren zetten en geschiktere woorden naar voren plaatsen. We kunnen nuance zoeken en het raam opendoen voor een taal die rijk is, en wijds, net als de wereld. We kunnen de wereld in wit-zwart zien, of … in kleur. We hebben niet altijd macht over de situatie waarin we ons bevinden (vaker niet dan wel, lijkt mij), maar wél over de woorden die we kiezen. Ook in onze ‘weerwoorden’. 

En daar hoef je geen Amanda Gorman of Paulien Cornelisse voor te heten… die keuze heeft iedereen…

 

Ik deel hier nog een kort gedicht, uit een prachtig boekje dat ik ooit kreeg. (Want dat kan je ook, iemand woorden schenken!). Het heet, “Het is hier goddelijk”, van Geert de Kockere en Johan Devrome, uitgeven bij Medaillon-de Eenhoorn, in 2002.

 

“Eindelijk is het zover:

Ik zie het niet meer zitten!

Maanden heb ik 

er naar uitgekeken.

Naar de dag

dat ik het niet meer

zou zien zitten.

Nu het volop lente is,

zie ik het niet meer zitten!

De hele winter lang

zag ik het heel goed zitten.

Dat indrukwekkende nest,

hoog in de boom 

aan de overkant.”