Heer,

Op klaarlichte dag,
Zagen we een man,
Die er net zo uitzag als wij
Jeansbroek aan, trui aan,
Vrolijk haast, buiten in de zon,

Toch haalde hij gereedschap boven,
En stak er gereedschap uit z’n achterzak
Begon hij doodleuk een slot door te zagen,
Klaar om er met een fiets, die niet de zijne was, vandoor te gaan

Hoe kon dat nu? We waren verbouwereerd!
Een dief, zo, ineens, midden in de dag?
Misschien hadden we verkeerd gekeken.
Misschien was het zijn eigen fiets?
Nog een blik. Nee… het was echt…

En zo haast banaal zagen we misdaad komen,
Zagen we iets wat eigenlijk niet ok is
Zonder muts, zonder masker, zonder streepjespak
En zonder onheilspellende muziek
Misschien is wat kwaad is, subtieler dan we denken
En haast on-voorstelbaar, op een mooie dag in de zon!

Misschien lijkt wie kwaad doet, meer op ons
Dan comfortabel is

En is het moeilijk, als de wereld minder zwart wit is,
Minder duidelijk
Verwarrend, vervagend

Heer, help ons,
Om een open blik te bewaren
En de ander niet als “de ander” weg te zetten
Er geen zwart masker over te schilderen,
Geen onheilspellende melodie bij te zingen
Help ons, Heer,
Om alert te blijven
Dat wanneer het kwade zich onschuldig en banaal presenteert
We toch “nee” zeggen
Met ruggengraat
Met grenzen
Ook als niemand kijkt

Help ons
Met open ogen, een open hart,
En een helder geweten, op Uw pad te blijven

Amen


Jij bent “de ander”
De “ander” ben jij
De lijnen trek je zelf
De muziek speel je erbij
Denk als één, handel als één
Laat het oordeel vallen
En werp geen steen

Het kwade toont zich niet
Met veel vertoon en drama
Het is het kleine kwaad
Bijna onooglijk
Antwoord met je “ja”
Aan het kleine goed
Haast even onooglijk
Maar dàt doet ertoe