Kruisweg

Ik denk dat ik er al wel honderden keren voorbij ben gelopen. Een in steen gekapte kruisweg, aan één van de zijmuren van de kathedraal. Het was achtergrond geworden. Maar nu, in de veertigdagentijd, ga ik er opnieuw langs. En zie ik het. Elk tafereel. Elke statie. Als voor de eerste keer. (want dat is het eigenlijk ook, voor de eerste keer écht zien). Het beeld van het kindje in één van de staties, dat z’n handje voor de ogen houdt, blijft me bij. Misschien ben ik het wel, die zag maar niet écht keek. Misschien ben ik het wel, die wéét dat Jezus geleden heeft, maar het toch niet helemaal écht, van dichtbij wil zien. Die zoals een kind dat iets eng ziet gebeuren, of bij een akelig stuk film, de ogen bedekt houdt (en er misschien toch, ergens ook, een klein beetje verborgen doorheen kijkt). Misschien doet u dat wel mee met mij: langs dingen of mensen of situaties heenlopen, zonder ze écht te zien. Lijden in het algemeen, lijden in het concrete, én het lijden van Christus, moeilijk onder ogen kunnen zien. Maar ik haal dat kleine handje naar beneden en neem u mee op wat ik vandaag mocht zien, in deze aangrijpende kruisweg van Bruno Gerrits (gemaakt rond 1925), en te zien in de Sint Romboutskathedraal in Mechelen.

I. Jezus wordt ter dood veroordeeld
Heer, met kleine oogjes en een bang hartje kijk ik door mijn vingers naar U. Hier gaat het beginnen. Of is het al begonnen… de doodsangst in het hof van olijven, de judaskus, het verraad… Mijn oog valt op het kind rechts, dat U aankijkt. Ertussen staan machtige mannen die gezag uitoefenen, sterke mannen, die U willen laten voelen dat U niets te willen heeft. Dat zij de wetten gaan stellen. Maar daar, helemaal in de hoek, kijkt dat kleine kind U aan. Van onschuld naar onschuld.

Ik denk dat het ook zo getroffen is als ik, door Uw blik. De man links lijkt een stevig karakter, die met een stoot van zijn kin toont “hier, net goed. Dat is wat U verdient”. Maar het kind weet net als U… dat Gij onschuldig zijt. En dat U niet reageert in volle verdediging, met een kinstoot terug of met een giftig woord. Ge staat erbij als een Lam dat naar de slachtbank wordt geleid. Op Uw gezicht is een diep besef te lezen van wat U te wachten staat, een droefheid, en tegelijk, eronder, een soort vrede. “Niet mijn maar Uw Wil geschiede”. Het verlangen om, ook als de wil van de Vader soms onbegrijpelijk is, precies Zijn wil te willen doen. Ook al leidt die tot het kruis. Een kruis dat al wat we dachten in vraag stelt. Een kruis dat omverwerpt. Een kruis dat radicaal anders is. Ik denk dat het kind, in dit hele tafereel, U het beste begrijpt. In alle onschuld.

II. Jezus neemt Zijn Kruis op
Heer, We hebben er al zoveel gezien, kruisen. Maar dat kruis hier, goch wat lijkt dat zwaar. Je voelt de zwaarte, het gewicht van de steen, het kleed, de sterke man die nodig is om het U aan te reiken. Het komt op U toe. Ge zijt er niet naartoe gehuppeld. Het komt in alle zwaarte op U af. De soldaten zien mee dat het tot bij U geraakt. De straf volgens de veroordeling. Weten ze veel dat ze U met dat ondraaglijk zwaar kruis aan te reiken, ons tegelijk de Verlossing aanreiken. Dat dat eens zo loodzware kruis, ons verlichting en bevrijding zal brengen.

Het treft me hoe Gij het aanneemt. Hoe Ge het Kruis dat U tegemoet komt, aanvaardt. Hoe Ge er niet van weg loopt. Hoe Uw gelaat in niets prijsgeeft dat Ge deze kelk liever aan U zag voorbij gaan. Ge strekt Uw hand uit, als om het te omarmen. En het is niet licht. Ge weet het. Ge zijt al geslagen, gegeseld, vernederd. Ze hebben U al gekroond met een doornenkroon, en wonden geslagen, op elke manier denkbaar. Zelfs nog voor Ge aan het kruis genageld wordt. Het Kruis is al begonnen. En kijk, bijna vredig, omarmt Ge het. We kunnen het ons niet voorstellen… dat contrast, Uw zachte gezicht, en die stevige man die dat loodzware kruis Uw kant op duwt. Iets in mij vermoedt dat Ge zelf gedragen wordt, dat Gij al méér ziet dan het kruis. Hoe kan het anders…

III. Eerste val van Jezus onder het kruis
Heer, dat Kruis moet ontzettend zwaar zijn. Zie hoe Ge eronder valt. Het is niet het fijne houten kruisje dat we aan de muur hebben hangen, het lichte ornament aan onze ketting. Het is een stevig, zo zwaar kruis dat het U doet vallen. Konden we maar beginnen met ons in te beelden, hoe zwaar het voor U moet geweest zijn.

En dan dat gezicht te zien van die soldaat, die er nog plezier in lijkt te scheppen, U een extra stevige duw te geven. U extra pijn te veroorzaken. Het is gruwelijk om te zien. Waartoe mensen in staat kunnen zijn. Hoe slechtheid boven komt. En dan, recht daartegenover, Uw blik. Een blik van pijn, diepe pijn. Een blik van “heb erbarmen”, “heb medelijden”. Maar toch, en dat treft me zo, een blik van mededogen. Geen kwade ogen die de kwaadheid vergelden. Maar ongehoorde zachtheid. Kyrie-eleison


IV. Jezus ontmoet Zijn Heilige Moeder
Heer, dat zware Kruis had U te dragen. U was al gevallen, U had al zoveel meegemaakt, en er zou nog een hele lijdensweg komen. God dank was daar Uw moeder. Het gezicht van diegene die U op aarde wellicht het meest heeft liefgehad. Eindelijk, tussen die harde gezichten van de soldaten, dat lieflijke gezicht van wie U zo oneindig dierbaar is… Wellicht diegene die Ge het liefst wou zien, in Uw hele leven en ook nu, middenin Uw lijden. Maar ook wellicht ook diegene die Ge nog het liefst had willen sparen… dat ze dit als moeder niet zou moeten zien…

Oh zie haar blik, zo hartverscheurend! Als Moeder, dicht bij haar Zoon te willen zijn, ook nu, zeker nu. En tegelijk het bijna niet willen zien, wie Haar zo lief is zo zien lijden. Te zien hoe ze haar Geliefde Zoon pijnigen, vernederen, verwonden, zo met geweld en hardheid behandelen. Is dat al Johannes, die haar bij de hand neemt en troost? Die U zo liefdevol aankijkt, Heer. Zo vol diepe liefde. En die, nu al, alsof Hij het U al hoort zeggen, de zorg opneemt voor Uw Moeder. Haar ondersteunt. Haar bij de arm neemt. Haar troosten wil, al zijn er nu geen woorden, enkel tekenen van nabij zijn, van liefde. Oh de smart op dit Moedergezicht… Het lijkt wel van alle tijden. Moederliefde zit zo diep, de pijn gaat dus ook zo diep…

V. Simon van Cyrene helpt Jezus’ kruis dragen.
Heer, dat Kruis dat weegt. Ik zie hoe Ge door Uw knieën zakt, hoezeer het weegt dat het bijna niet te houden is. Gelukkig dan toch een beetje menselijkheid dat Simon wordt gevraagd mee Uw kruis te dragen. Dat Gij het niet helemaal alleen moet dragen. Zoals wij het onze niet helemaal alleen moeten dragen. Anderen dragen het met ons. En Gij bovenal, draagt ons kruis mee en weet wat het is… een zwaar kruis te dragen hebben.

Wat me treft, als ik van een andere kant kijk, is hoe jullie het allebei samen dragen. Die armen. Als in één beweging. Zoals vrienden die samen iets opheffen. die hun krachten verenigen. De één staat achter de ander. Het wordt een samen. Samen wordt het draaglijker. Samen wordt het lichter. Samen in dezelfde houding, gedeelde pijn maar ook dubbele (draag)kracht.

VI. Veronica droogt Jezus’ Aanschijn af.
Heer, Hoe schoon is dit! Veronica die, tussen de mensenmassa door zich een weg zoekt naar U, en die U wil troosten door Uw gelaat te drogen, door Uw bloed en zweet op te vangen, door U nabij te zijn. En het wondere is, terwijl zij U troost, troost Gij haar. Laat Gij een blijvende indruk achter. Voor haar en al wie komt. Dat is het soort ontmoeting met U. Een ontmoeting die verandert. Die een diepe indruk achter laat.

Wat me zo treft, zijn al die blikken. Bijzonder die van Veronica, één en al gericht op U. Oh laat me ook zo gericht zijn, helemaal, op U. U nabij zijn, U willen troosten, alles zoeken en vinden in Uw blik. En dan Uw blik, Heer, Uw blik bovenal, van oneindige tederheid. Van haar werkelijk zien. Haar beminnen. Zo een intense liefde is zichtbaar in die blikken… Zo teder, zo intens, zo onuitsprekelijk mooi. En de soldaat links, zijn blik is anders. Het lijkt wel een lege blik. Is het een koude blik, eentje die afkeurt wat er gebeurt? Toch lijkt het anders. Het lijkt een lege blik, van iemand die iets ziet wat hij niet begrijpt, maar wat hem treft. Wat hem overdondert. Wat hem verrast. Zo een innige liefde. Die man die gekruisigd zal worden, daar is precies toch wat mee… Die wekt zo’n liefde! Die geeft zo’n liefde. de blik van de soldaat staat op oneindig…

VII. Jezus valt voor de tweede maal onder het kruis.
Heer, het kruis is zo zwaar. Opnieuw valt Ge. Met Uw ene arm houdt Ge U tegen op de grond. Het lijkt Simon die teken doet: “Hij is gevallen!” Uw blik is er één van pijn. Het kind rechts houdt de vingers voor de ogen, misschien zoals wij. Het is eigenlijk te pijnlijk om aan te zien. We zouden wel willen wegkijken. En toch is het realiteit, hebt Ge zoveel geleden en is U zoveel leed aangedaan. Misschien hoopt het kind, het kruis niet te zien. Misschien hoopt het, met de ogen toe, dat het kruis ophoudt te bestaan. Maar het is er, ook als we onze ogen ervoor sluiten.

En alsof Uw kruis nog niet zwaar genoeg is… Zie die verbetenheid op het gezicht van de soldaat. De stevige vuisten, de opengesperde mond die U wellicht harde woorden toeroept, die koude ogen. En die gespierde benen, klaar om met veel kracht, U een harde trap te geven. Nog meer tegen de grond. Alsof erg nog niet erg genoeg is, doet hij er een schepje bij. Wat treft me, naast de schoonheid van mensen, de innige liefde zoals in Veronica, is dat mensen – hoe onbegrijpelijk ook- tot zo’n vreselijke dingen in staat zijn. Een gekwetste, een onschuldige, een mens zo liefdevol als U, Heer, nog dieper pijnigen. Met opzet dan nog. Onbegrijpelijk wat zich voor onze ogen afspeelt, toen en nu… Hoe kan men U niet beminnen? Hoe kan men U zo pijn doen?

VIII. Jezus troost de wenende vrouwen.
Heer, Is het niet, net als bij Veronica, zo weer U ten voeten uit… dat zij die U willen troosten, door U getroost worden! Dat Gij die zo lijdt, die zo’n kruis te dragen heeft en een gruwelijke dood tegemoet gaat, precies diegene zijt die de bedroefden troost! Want hoe kunnen we niet bedroefd zijn, U zo te zien? En te weten, al is het nog versluierd, wat er zou volgen?

Het is zo pakkend, ditzelfde tafereel vanuit verschillende hoeken te bekijken. Kijk ik langs links, zie ik de vrouwen waar de droefheid én de liefde (de droefheid omwille van de liefde) op hun gezicht te lezen staat. Het is aangrijpend. Kijk ik langs rechts, dan sta ik mee bij de vrouwen… de vrouwen zo uit het dagelijks leven, met een kind op de arm, een jonge vrouw geknield… De handen van de moeder die haar kind ondersteunen. Uit het leven gegrepen. En van hieruit zien we U die ons aankijkt. Die een blik van liefde en smart deelt. Die misschien nog een woord spreekt, een handgebaar stelt als een teder reiken naar het kind? Als een wuiven, “à Dieu”? Als een zegen? Als een troostvolle aanraking?

IX. Jezus valt voor de derde maal onder het kruis.
Heer, dat Uw kruis zwaar is, was al duidelijk van toen U het ontving. Maar elke statie wordt het gewicht nog zwaarder, tot U er voor derde keer onder valt. En, zo ziet het eruit, haast onder bezwijkt. Deze keer lijken de soldaten minder wreedaardig. Ze doen er geen schepje bovenop maar zien hoe erg Ge lijdt. De ene houdt Uw kruis vast. De andere houdt U nog vast. En Simon wil U helpen, reikt U de hand.

Mij treft Uw hand, Uw arm, die er helemaal slap bij hangt. Haast helemaal krachteloos zijt Ge geworden. Haast bezweken. Gezicht tegen de grond. Uw hele lichaam tegen de grond. Geen zin om nog ‘na te trappen’ voor de soldaten. Ge ligt er al. onder Uw loodzwaar kruis dat is en nog komen gaat.
Oh, Uw arm daar zo te zien liggen. Die krachteloze hand, die arm die omhoog geheven moet worden. Uw hand, en de helpende hand van Simon die U ondersteunt. Dat beetje menselijkheid in dat overweldigend lijden dat U tegen de grond smakt. Het maakt me woordeloos.

X. Jezus van zijn kleren beroofd.
Heer, het doet zeer om te zien hoe men Uw kleren werkelijk uittrekt. Elk langs één kant, Uw kleed naar beneden haalt. Een andere man staat erbij en kijkt ernaar. U wordt van Uw kleren ontdaan. U wordt vernederd. U wordt bespot. Hier, de Koning, met een doornenkroon en zonder kleed! Maar wie Gij zijt, kunnen ze niet van U ontdoen. Uw Goddelijkheid kunnen ze zelfs in Uw menselijke kwetsbaarheid niet weghalen. Wie Gij werkelijk zijt, is meer dan het oog kan zien. En meer dan het verstand kan verstaan.

Het is zo een kwetsbaar beeld, zo een fragiele realiteit. Zoals in de Fillipenzenhymne bezongen wordt: “Hij die bestond in de gestalte van God heeft er Zich niet aan willen vastklampen gelijk aan God te zijn. Hij heeft Zichzelf ontledigd en de gestalte van een slaaf op Zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij Zich vernederd. Hij werd gehoorzaam tot de dood, de dood aan het kruis.” (Fil 2: 6-8) Oh Heer, daar staat Ge, totaal vernederd, totaal kwetsbaar. Gij die onze Verlosser zijt, zo fragiel, zo aan mensen uitgeleverd. Het zo te zien, doet me weer schrikken van hoe kwetsbaar Ge U gemaakt hebt, toen en nu nog. Want Ge komt niet met macht, met engelenscharen, met een Liefde die als een bulldozer onze vrije wil verdrijft. Maar nu nog evenzeer kwetsbaar en naakt. Laten we U in de kou staan?

XI. Jezus wordt aan het kruis genageld.
Heer, daar komt dan het gevreesde moment. Het zat eraan te komen, Gij wist het, wij weten het, de soldaten en omstaanders weten het, en toch is het zo keihard. En is het op één of andere manier makkelijker U als een ‘plaatje’ gekruisigd te zien (een beeld waar we wellicht al te vertrouwd mee zijn) dan U hier letterlijk aan het kruis genageld te zien worden. Uw armen helemaal uitgestrekt. Uw hoofd omhoog, Uw ogen toe. Ge hebt geen andere keuze dan te laten gebeuren wat komen gaat. Maar er spreekt ook een bewuste overgave uit. Al bad Ge dat de beker voorbij mocht gaan, tegelijk vroegt Ge dat niet Uw wil maar de wil van de Vader geschiede.

Dit beeld, bijzonder wanneer ik het van onderen uit bekijk, van hoe het moet geweest zijn als Ge neerlag, is hallucinant. Niet alleen voelt Ge de nagel, maar Ge ziet de kracht al komen, de kracht en de overtuiging, de woede waarmee de nagel U zal doorboren.Die gespierde arm, die stevige hamer, dat gespannen gezicht… we kunnen mee zien en proberen invoelen hoe hard (vreselijk om te beseffen) de slag gaat zijn… De soldaat zal U een zeer harde slag geven, een onmenselijke pijn.
En Gij, Heer, Gij ligt daar ondertussen helemaal uitgespreid, klaar om Uzelf te geven. Wat een totaal ander geschenk! Wat een ‘dwaasheid’ ergens, zulke verbeten hardheid te beantwoorden met een nederige, liefdevolle zelfgave. De dwaasheid van de Liefde. En wat hebben we die nodig…

XII. Jezus sterft aan het Kruis.
Heer, Als we U apart aan het kruis zien hangen, in zovele kerken, gebouwen, lokalen,… dan zijn we haast gewoon geworden aan het kruis. Maar als we U zo zien, Heer, mee Uw lijdensweg hebben gewandeld, Uw vallen onder dat zware kruis, het beroofd worden van Uw kleren, de wenende vrouwen hebben gezien… maar ook de soldaat die U keihard aan het kruis nagelt, dan is Uw dood aan het kruis een moment om heel stil van te worden… En we zien dat het niet alleen ons stil maakt.

De soldaat rechts, legt de hand op de borst. Hij lijkt diep getroffen. Uw blik rust op Uw Moeder en de Veelgeliefde leerling, die naar U kijken vol liefde en verdriet. Beiden de handen gevouwen, naar boven en onder. Maar mij treft bijzonder de vrouw aan Uw voeten… Zij die in tranen uitbarst, aan Uw voeten. Zij die beseft dat Ge ALLES zijt, en dat ze ALLES aan U te danken heeft. Is het dezelfde die Uw voeten met geurige olie balsemde, en afdroogde met haar lange haren? Is het diegene die Gij verstond en prees om haar innige liefde, ook als de omstaanders haar niet begrepen? Oh zij is het, Heer, die me het meeste treft en die me uitnodigt mee zoals zij naar U te kijken. Letterlijk, want ik wandel op haar hoogte voorbij. Maar ook diep in het hart. Aan Uw voeten. In tranen. In Liefde. In overgave. In het besef dat we niets zijn zonder U… en dat Gij onze alles zijt.

XIII. Jezus wordt van het kruis gehaald.
Heer, het is volbracht. Ge zijt de kruisdood gestorven. Niet gewoon als uitvoering van de straf die U, onterecht, was gegeven. Maar als Uw ultieme Zelfgave, en onze redding. Hoe vreemd het ook mag klinken. En die zelfgave, die is zo duidelijk in dit beeld. Ge ligt. Ge hebt Uzelf helemaal gegeven. En Uw Moeder, Maria, heeft niet alleen zichzelf maar ook U helemaal gegeven. Allebei volledige zelfgave. Het is een tafereel dat, hoe dramatisch en diep pijnlijk ook, tegelijk van liefde en tederheid spreekt. Van een totaal andere logica, dan van het uitvoeren van een straf. Dan van een gruwelijk pijnlijk einde van wat beloftevol had kunnen zijn. Maar de verslagenheid, zelfs al is het uit liefde, misschien ook precies omwille van de diepe liefde, is groot. Het is op de gezichten te zien, in de handgebaren te lezen. Het is zelfs, nu met een volwassen man die de hand voor z’n ogen houdt, ‘niet om aan te zien’. Zo onbeschrijfelijk diep het verdriet.

Het is enorm triest en enorm schoon en kwetsbaar tegelijk, hoe Ge, opnieuw op de schoot van Uw Moeder ligt. Hoe Ze U draagt. Maar deze keer haar gestorven Zoon. Ze houdt Uw arm vast. Ge rust in Haar schoot. Ze omarmt U.
Wat me nu zo treft, is de uitdrukking van U en Uw Moeder die zo gelijkend is. Ja, de uitdrukking van diepe pijn, van diepe liefde, van diepe smart… Niet met woorden te vatten, maar wel op de gezichten te lezen. Maar ook, dat jullie gelaatstrekken zo gelijkend zijn… Jullie zijn tenslotte Moeder en Zoon en zullen dus wel in méér dan één opzicht op elkaar gelijken.
Ik kan niet meer zeggen dan te kijken, en mijn kijken bidden laten zijn. In de hoop dat eens, het schouwen van Uw gelaat het mijne een beetje mag omvormen.

XIV. Jezus wordt in het graf gelegd.
Heer, Nu wordt Ge in het graf gelegd. Sterke mannen dragen U. En het is nodig. Uw lichaam is zwaar, de zwaarte is haast te voelen. Uw arm die hangt, Uw benen, Uw lichaam dat doorbuigt. Net als in de schoot van Maria toen Ge van het Kruis werd gehaald, vormen ze, met hun krachtige armen en het grote doek een nieuwe schoot voor U. Waarin Ge ligt geborgen. Langs de ene kant is er die enorme mankracht die nodig is om Uw zwaar geworden lichaam te heffen, langs de andere kant de ‘schoot’ die U draagt, waarin Ge in Liefde geborgen zijt. Een aanhoudende liefde.

Uw Moeder kan haar blik niet van U afhouden. Haar Geliefde Zoon… Ook de Veelgeliefde leerling, houdt zijn blik op U gericht. Tegelijk ligt zijn hand liefdevol op de schouder van Maria, die nu zijn en Onze Moeder geworden is. Een teken van troost misschien, van nabijheid.
Iedereen, ja iedereen houdt zijn blik op U gericht. Het is niet voorbij. Al lijkt het zo. De blikken zijn gespannen. Het verhaal is niet uit. We kijken mee. We kijken verder. We blijven naar U kijken, toen… vandaag… en morgen.
Dit is de kruisweg die mij zo heeft getroffen, waar ik zo vaak voorbij wandelde zonder hem ooit te ‘zien’. Waar ik naar kan blijven kijken. Maar wie weet hangt er ook wel een kruisweg in een kerk of kapelletje in jouw buurt? Eentje dat misschien ook de moeite waard is, eens van dichter te bekijken… en te zien waar je blik je brengt…